4. Noten.
De noten kunnen genoteerd worden :
4.1. staande óp een lijn,
4.2. midden tussen twee lijnen in,
4.3. hangende áán een lijn.
Noten, genoteerd onder de middelste lijn, worden genoteerd met hun stok naar boven, noten boven de middelste lijn met hun stok naar beneden. Indien meerdere noten een gemeenschappelijke vlag hebben kan hier, voor de overzichtelijkheid van worden afgeweken. Bij meerstemmigheid noteert men de bovenste noten met de stok naar boven en de onderste met de stok naar beneden.
1. DRIELIJN.
Drie horizontale lijnen op gelijke afstanden van elkaar. De notenbalk waarin en omheen de noten worden genoteerd.
6. Sleutel.
Hier wordt aangegeven in welk twaalftal gelezen moet worden.
“C ” als voorbeeld.
(Zie “Notenreeksen”.)
2. Hulplijnen.
Boven en onder de drielijn. Indien noodzakelijk uit te breiden met meerdere. Als de notenbalk, voor enkele noten, niet voldoende plaats biedt aan de noten kan de drielijn worden uitgebreid met één of meerdere hulplijntjes of een deel drielijn. In het geval dat deze situatie voor meerdere maten geldt stapt men over op een ander twaalftal. (Zie “twaalftal” bij “Notenreeksen.”)
3. Benaming noten. Worden, normaal gesproken, niet in een werk vermeldt.
7. Maatsoort.
Aanduiding van gebruikte maatsoort.
“3 / 4” als voorbeeld.
8. Toonkleur.
De toonkleur wordt aangegeven met een hoofd- of kleine letter. Ook uitgeschreven noteringen zijn mogelijk.
“C” als voorbeeld.
(Zie de mogelijkheden in :“Toonkleur”.)